Een driecilinder stermotor voor de hoogste eisen
Ondanks de razendsnelle ontwikkeling van elektromotoren, die zich steeds meer tot krachtige tegenhangers ontwikkelen, blijven verbrandingsmotoren, die qua geluid sterk op hun grote voorbeelden lijken, een overweldigende fascinatie uitoefenen op modelbouwliefhebbers. Dit geldt met name voor stermotoren, die indruk maken met hun onmiskenbare sound.
De FG90 R3 van Saito is al enige tijd verkrijgbaar bij aero-naut en behoort momenteel tot de krachtigste stermotoren van Saito. Daarom willen wij deze motor aan een test onderwerpen en hier een kort verslag over schrijven.
Volgens Saito is ook de FG 90R3, net als de FG 60, terug te voeren op de gloeiplugmotor FA-220. Onder andere is er een benzinebestendige carburateur ingebouwd en zijn de cilinders en cilinderkoppen uit één stuk vervaardigd. De krukas is dubbel kogellager-ondersteund. Net als bij de FG84 R3 zijn op het carter grote koelribben gemonteerd, die zich in de luchtstroom van de propeller moeten bevinden, zodat een optimale warmteafvoer van het krukashuis gewaarborgd is. De magneetsensor lijkt van hetzelfde type te zijn als bij de FG60 en is schuin naar de zijkant gemonteerd. De uitlaat is naar achteren geleid, waardoor de bougie van het type CM6 goed beschermd onder een hoek is geplaatst. Bijna iets te goed verstopt, want met een gemonteerde ringdemper, die apart aangeschaft moet worden, wordt het al behoorlijk krap bij het opsteken en vergrendelen van de bougiestekker. De carburateur ligt opnieuw achter de montageplaat, waarbij ditmaal de gashendel naar de linkerkant is verhuisd. Saito lijkt echter geleerd te hebben van het “gemopper” over de carburateur van de FG 60 stermotor: ditmaal is er de mogelijkheid om de motor van buitenaf te choken. In ingebouwde toestand was het bij de 60’er en ook bij de 84’er meer dan omslachtig om met de motor brandstof aan te zuigen.
Bij het momenteel nieuwste model, de hier te testen FG90 R3, heeft Saito eveneens een praktische oplossing bedacht: in het midden van de gasklephefboom bevindt zich een verbinding met de intern liggende choke-klep, die met de meegeleverde “choke-stick” bediend kan worden. Daarvoor moet in ingebouwde toestand een gat van 4 mm in de kap en eventueel in de voorbouw van het motorspant worden voorzien. Om de carburateur ook zonder een tweede persoon, die de choke-stick in positie houdt, te kunnen aanzuigen, dient in de kap een stelring of iets dergelijks te worden ingebouwd, zodat de stick in de benodigde positie blijft. Na het aanzuigen kan de choke-stick weer worden verwijderd. Servo-gestuurd aanzuigen is helaas niet voorzien. De hoofdsproeiernaald bevindt zich rechtsboven van de gasklephefboom en de stationairnaald is in de gasklephefboom aangebracht. Het choken verstelt de stationairnaald natuurlijk niet, want de schroefverbinding voor de choke-stick is een schroefdraad direct op de gasklephefboom. Daarom moet bij het nastellen van de naald de stick worden losgeschroefd, zodat de carburateur-instelstick gebruikt kan worden.
Bij de motor wordt naast de eerder genoemde stick voor het choken ook de carburateur-instelstick meegeleverd. Vanwege de veelheid aan informatie over de motoropbouw op de website van aero-naut is het niet nodig dit op dit punt opnieuw toe te lichten.

